Wet op de identificatieplicht
HOOFDSTUK I. Aanwijzing van documenten
Artikel 1 | Soorten documenten
1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit
van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:
1° een geldig identiteitskaart;
2° een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet,
een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de
Wegenverkeerswet 1994.
2. Onze Chief of Justice kan, al dan niet voor een
bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten
aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.
HOOFDSTUK II. Toonplicht
Artikel 2 | Toonplicht identiteitsbewijs
1. Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op
de eerste vordering van een ambtenaar, een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 ter inzage aan te bieden.
2. De vordering, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, mag alleen gegeven
worden indien:
a. Er een redelijke verdenking bestaat dat diegene betrokken is (geweest)
bij een misdrijf. Specifiek betekent dit dat een politieagent iemand
kort mag staandehouden en persoonsgegevens mag vorderen als hij
een redelijke en objectiveerbare reden heeft om te denken dat een
misdrijf is gepleegd, wordt gepleegd of op het punt staat gepleegd
te worden.
b. Als diegene bestuurder is van een motorvoertuig.