Wetboek van Strafvordering
EERSTE BOEK | Algemeene Bepalingen
TITEL I. Strafvordering in het algemeen
Artikel 1 | Legaliteitsbeginsel
Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.
Artikel 2 | Relatieve competentie
Van de rechtbanken zijn gelijkelijk bevoegd:
die binnen welker rechtsgebied het feit is begaan.
Artikel 9 | Vervolging door DA
De district attorney is belast met de vervolging van strafbare
feiten waarvan de rechtbank Paleto Bay kennisneemt.
TITEL II. De verdachte
Artikel 27 | Verdachte
1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene
te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van
schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.
2. Daarna wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is
gericht.
3. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is
bevoegd zich te laten bijstaan door een tolk.
Artikel 27a | Vaststellen identiteit
1. De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit
gevraagd naar zijn naam, voornamen en geboortedatum, Het vaststellen van
zijn identiteit omvat tevens een onderzoek van een identiteitsbewijs
als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. In de
gevallen, bedoeld in artikel 55c, tweede lid, omvat het
vaststellen van zijn identiteit tevens het nemen van een of meer
foto’s en vingerafdrukken.
2. In de gevallen waarin van de verdachte overeenkomstig dit wetboek
vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, omvat het vaststellen van
zijn identiteit ter verificatie het nemen van zijn vingerafdrukken en
het vergelijken van die vingerafdrukken met de van hem verwerkte
vingerafdrukken. In de andere gevallen omvat het vaststellen van zijn
identiteit een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
Artikel 27c | Mededelen van rechten aan verdachte
1. Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding
medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is
aangemerkt. Buiten gevallen van staandehouding of aanhouding wordt de
verdachte deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor
gedaan.
2. Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn
eerste verhoor, onverminderd artikel 29, tweede lid, mededeling gedaan
van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, en,
indien van toepassing, het recht op vertolking en vertaling, bedoeld in
artikel 27, derde lid.
3. Aan de aangehouden verdachte wordt onverwijld na zijn aanhouding en in
ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor schriftelijk mededeling
gedaan van:
a. het recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
b. de in het tweede lid bedoelde rechten;
c. het bepaalde in artikel 29, tweede lid;
d. het recht op kennisneming van de processtukken op de wijze bepaald
in artikel 30;
e. het recht om een persoon in kennis te doen stellen van zijn
vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 27e, eerste lid;
f. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rechten.
4. Aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst,
wordt de mededeling van rechten in een voor hem begrijpelijke taal
gedaan.
5. In het proces-verbaal wordt melding gemaakt van de mededeling van
rechten.
Artikel 27cb | Plaats van verhoor
Het verhoor van een aangehouden verdachte vindt zoveel mogelijk plaats op een
plaats die is bestemd voor het verhoren van verdachten of op een andere door
de district attorney aangewezen plaats van verhoor.
Artikel 27d | Getuige of verdachte
1. De opsporingsambtenaar die een persoon uitnodigt om een verklaring af te
leggen, deelt daarbij mee of deze als getuige of als verdachte wordt
gehoord.
2. Indien ten aanzien van een als getuige gehoorde persoon gedurende het
verhoor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaat
als bedoeld in artikel 27, eerste lid, doet de verhorende
opsporingsambtenaar, indien deze het verhoor wil voortzetten, aan deze
persoon de in artikel 27c, eerste en tweede lid, genoemde mededelingen.
1. Op verzoek van de aangehouden verdachte geeft de opsporingsambtenaar
die beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor
onderzoek, onverwijld kennis van diens vrijheidsbeneming aan ten minste een
door de verdachte aangeduide persoon.
2. De opsporingsambtenaar kan de in het eerste lid bedoelde kennisgeving
uitstellen voor zover en voor zolang als dit wordt gerechtvaardigd door een
dringende noodzaak om:
a. ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke
integriteit van een persoon te voorkomen of
b. te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek kan worden
toegebracht.
3. De in het derde lid bedoelde beslissing en de gronden waarop deze berust,
worden in het proces-verbaal vermeld.
Artikel 28 | Bijstand door raadsman
1. De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit
wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
2. Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een
aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend.
3. In bijzondere gevallen kan op gemotiveerd verzoek van de verdachte meer dan
een raadsman worden aangewezen.
4. De verdachte wordt, telkens wanneer hij dit verzoekt, zo veel mogelijk de
gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.
5. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst kan ten
behoeve van zijn contacten met zijn raadsman een beroep doen op bijstand
van een tolk. De raadsman is verantwoordelijk voor het oproepen van een tolk.
Artikel 28a | Afstand van rechtsbijstand
1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op
rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek
anders is bepaald.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het
eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de
gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan
terugkomen.
Artikel 28c | Overleg met raadsman vóór verhoor
De aangehouden verdachte wordt de gelegenheid verschaft om voorafgaand aan het
eerste verhoor gedurende een termijn van ten hoogste een half uur met hem een
onderhoud te hebben.
Artikel 28d | Bijwonen verhoor door raadsman
1. Op verzoek van de aangehouden verdachte en de verdachte die is uitgenodigd
om op een plaats van verhoor te verschijnen om te worden verhoord, kan de
raadsman het verhoor bijwonen en daaraan deelnemen. Het verzoek wordt
gericht aan de verhorende ambtenaar. De verhorende ambtenaar kan een verzoek
van de verdachte of diens raadsman tot onderbreking van het verhoor voor
onderling overleg afwijzen, indien door het voldoen aan herhaalde verzoeken
de orde of de voortgang van het verhoor zou worden verstoord.
2. De verdachte kan tijdens het verhoor dat niet door een raadsman wordt
bijgewoond, verzoeken dat het wordt onderbroken voor overleg met een
raadsman. De verhorende ambtenaar stelt hem daartoe zo veel mogelijk in de
gelegenheid, tenzij door het voldoen aan herhaalde verzoeken de orde of de
voortgang van het verhoor zou worden verstoord.
3. De beslissing tot afwijzing van het in het eerste of tweede lid bedoelde
verzoek geldt voor de duur van het desbetreffende verhoor.
Artikel 29 | Verklaringsvrijheid en zwijgrecht
1. In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de
verhorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een
verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid
is afgelegd.
2. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht. Voor de aanvang van het
verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is
verplicht. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.
Artikel 29b | Tolk
1. In alle gevallen waarin een verdachte die de Nederlandse taal niet of
onvoldoende beheerst wordt gehoord, wordt de bijstand van een tolk
ingeroepen.
2. De tolk wordt opgeroepen door de verhorende ambtenaar, tenzij anders bij
wet bepaald. Tijdens het voorbereidende onderzoek kan de tolk mondeling
worden opgeroepen. In alle andere gevallen geschiedt de oproeping
schriftelijk.
Artikel 29c | Vaststellen identiteit bij verhoor
1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont,
stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de
wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechterlijk
ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen
op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit
twijfel bestaat.
2. De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een
identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen
aan het nemen van zijn vingerafdrukken.
Artikel 29e | Horen van verdachte
1. Het gerecht dat tot eenige beslissing in de zaak is geroepen, is bevoegd
den verdachte in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
2. Aan een daartoe strekkend verzoek van den verdachte wordt gevolg gegeven,
tenzij het belang van het onderzoek dit verbiedt.
TITEL IIA. Kennisneming van processtukken
Artikel 30 | Kennisneming processtukken
1. De kennisneming van de processtukken wordt de verdachte op diens verzoek
tijdens het voorbereidende onderzoek verleend door de district attorney.
De kennisneming wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf
het eerste verhoor na aanhouding.
2. Niettemin kan de district attorney, indien het belang van het
onderzoek dit vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde
processtukken onthouden.
TITEL III. De raadsman
Artikel 37 | Toelating als raadslieden
1. In beginsel kan een ieder als raadsman worden toegelaten, mits deze persoon
voldoet aan de daartoe gestelde voorwaarden bij of krachtens de wet.
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een persoon de toegang als
raadsman worden ontzegd indien:
a. deze in de afgelopen 30 dagen onherroepelijk is veroordeeld voor
een misdrijf;
b. sprake is van omstandigheden die maken dat de betrokkene niet in staat
wordt geacht het ambt op behoorlijke wijze te vervullen;
c. de betrokkene zich niet houdt aan gedrags- of kledingvoorschriften die
gelden voor de uitoefening van het ambt. Hieronder valt ook het dragen
van gepaste kleding die de professionaliteit van het beroep weerspiegelt.
Artikel 38 | Keuze raadsman
De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
TITEL IIIA. Het slachtoffer
Artikel 51a | Begripsbepaling
In deze titel wordt verstaan onder:
a. Slachtoffer:
1° degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit
vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Met het
slachtoffer wordt gelijkgesteld de rechtspersoon die als
rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade
of ander nadeel heeft ondervonden;
2° nabestaande: familieleden van een persoon wiens overlijden
rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.
De district attorney draagt er zorg voor dat het slachtoffer onverwijld
in kennis wordt gesteld van zijn recht om voldoende informatie te ontvangen
over de aanvang en voortgang van de zaak, naar aanleiding van een tegen het
slachtoffer begaan strafbaar feit. Het slachtoffer wordt in het bijzonder
in kennis gesteld van zijn recht om informatie te ontvangen over:
a. het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan;
b. het niet vervolgen van een strafbaar feit;
c. het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte;
d. de aanvang en voortzetting van de vervolging, waaronder de uitvaardiging
van een strafbeschikking;
e. de aard van het aan de verdachte ten laste gelegde;
f. de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting;
g. de einduitspraak in de strafzaak tegen de verdachte.
Artikel 51c | Bijstand en vertegenwoordiging
1. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan tijdens het voorbereidende onderzoek
en op de terechtzitting.
2. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan door een advocaat en tevens door
een persoon naar keuze.
3. Het slachtoffer kan zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door
een advocaat.
4. De politie, de district attorney of de rechter kan de bijstand aan
een slachtoffer door zijn wettelijk vertegenwoordiger, weigeren in het
belang van het onderzoek of het belang van het slachtoffer. Deze weigering
wordt gemotiveerd.
Artikel 51e | Spreekrecht
1. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een
misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een lange
gevangenisstraf is gesteld, Van het voornemen tot het uitoefenen van het
spreekrecht geven degenen die daartoe gerechtigd zijn, voor de aanvang van
de terechtzitting schriftelijk kennis aan de district attorney opdat
deze hen tijdig kan oproepen.
2. Het slachtoffer kan op de terechtzitting een verklaring afleggen.
TITEL IV. Eenige bijzondere dwangmiddelen
Artikel 52 | Staande houden
Iedere opsporingsambtenaar is bevoegd de identiteit van de verdachte vast te
stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en
hem daartoe staande te houden.
Artikel 53 | Aanhouding bij heterdaad
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit is een ieder
bevoegd de verdachte aan te houden.
2. De opsporingsambtenaar die een verdachte bij ontdekking op heterdaad
aanhoudt, brengt deze ten spoedigste over naar de plaats voor verhoor.
3. Geschiedt de aanhouding door een ander dan een opsporingsambtenaar, dan
levert deze de aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over,
onder afgifte aan deze van bij de verdachte aangetroffen voorwerpen. De
opsporingsambtenaar handelt overeenkomstig de bepaling van het tweede
lid en maakt zo nodig een kennisgeving van inbeslagneming op.
Artikel 54 | Aanhouding buiten heterdaad
Buiten het geval van ontdekking op heterdaad is de opsporingsambtenaar
bevoegd de verdachte van een misdrijf, aan te houden.
Artikel 55 | Betreding plaats ter aanhouding
1. In geval van ontdekking op heeter daad van een misdrijf kan ieder, ter
aanhouding van den verdachte, elke plaats betreden, met uitzondering
van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2. Zoowel in geval van ontdekking op heeter daad als buiten dat geval kan
iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van den verdachte, elke plaats
betreden.
Artikel 55b | Bevoegdheden bij aanhouding
De bij of krachtens artikel 141 aangewezen ambtenaren, belast met de
opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd een staande gehouden of
aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen
die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en
ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.
Artikel 55c | Vaststellen identiteit verdachte
1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 141, stellen de identiteit van de
aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid,
eerste en tweede volzin.
2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het
vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens
een misdrijf waarop een lange gevangenisstraf is gesteld, of die wordt
verhoord wegens een misdrijf waarop een lange gevangenisstraf is gesteld,
zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken.
De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig
dit wetboek verwerkte vingerafdrukken.
Artikel 55d | Middelenonderzoek
1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 141, onder a en b,
kunnen in het belang van het onderzoek bevelen dat een aangehouden verdachte
van een geweldsmisdrijf, medewerking verleent aan:
a. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de
psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling
van het gebruik van alcohol;
b. een onderzoek van speeksel of een onderzoek naar de psychomotorische
functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik
van andere middelen als bedoeld in het vierde lid dan alcohol.
2. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen gegeven indien uit
aanwijzingen blijkt dat de verdachte het geweldsmisdrijf, bedoeld in het
eerste lid, onder invloed van alcohol of andere middelen als bedoeld in
het vierde lid heeft gepleegd.
3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt niet gericht tegen
de verdachte van wie aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan
een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk
is.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden de andere middelen dan alcohol
aangewezen die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden en de grenswaarden voor
die middelen en alcohol vastgesteld. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de onderzoeken,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 95 | Inbeslagneming bij aanhouden of staande houden
De opsporingsambtenaar die de verdachte staande houdt of aanhoudt, kan de
voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich voert, in
beslag nemen.
Artikel 96 | Inbeslagnemingsbevoegdheid opsporingsambtenaar
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit is de
opsporingsambtenaar bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te
nemen en daartoe elke plaats te betreden.
2. De opsporingsambtenaar kan, in afwachting van de komst van de rechter of
ambtenaar die bevoegd is ter inbeslagneming de plaats te doorzoeken, de
maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om wegmaking,
onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van voor inbeslagneming
vatbare voorwerpen te voorkomen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van
personen die zich ter plaatse bevinden beperken.
Artikel 96b | Doorzoeking vervoermiddel
1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van
verdenking van een misdrijf waarop een lange gevangenisstraf is gesteld, is
de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel, met
uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner, te
doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.
2. Indien zulks met het oog op de uitoefening van de in het eerste lid
verleende bevoegdheid noodzakelijk is, kan de opsporingsambtenaar:
a. van de bestuurder van het vervoermiddel vorderen dat hij het
vervoermiddel tot stilstand brengt, en
b. het vervoermiddel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen
plaats overbrengen of door de bestuurder laten overbrengen.
Artikel 96c | Doorzoeking van plaatsen
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van
verdenking van een misdrijf waarop een lange gevangenisstraf is gesteld,
kan de district attorney ter inbeslagneming elke plaats, met
uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, doorzoeken.
Artikel 97 | Doorzoeking zonder toestemming bewoner
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van
verdenking van een misdrijf waarop een lange gevangenisstraf is gesteld,
kan de district attorney, bij dringende noodzakelijkheid, ter
inbeslagneming een woning zonder toestemming van de bewoner doorzoeken.
Artikel 99a | Recht op bijstand raadsman
De verdachte is bevoegd zich tijdens het doorzoeken van plaatsen door zijn
raadsman te doen bijstaan, zonder dat de doorzoeking daardoor mag worden
opgehouden.
TITEL VI. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
Artikel 127 | Opsporingsambtenaar
Onder opsporingsambtenaren worden verstaan alle personen met de opsporing van
het strafbare feit belast.
Artikel 128 | Ontdekking op heterdaad
1. Ontdekking op heeter daad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt
wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is.
2. Het geval van ontdekking op heeter daad wordt niet langer aanwezig geacht
dan kort na het feit dier ontdekking.
Artikel 129 | Misdrijf
Waar van misdrijf in het algemeen of van enig misdrijf in het bijzonder
gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan, poging tot en
voorbereiding van dat misdrijf begrepen, voorzover niet uit enige bepaling
het tegendeel volgt.
Artikel 132 | Voorbereidend onderzoek
Onder het voorbereidende onderzoek wordt verstaan het onderzoek hetwelk
aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat.
Artikel 132a | Opsporing
Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare
feiten onder gezag van de district attorney met als doel het nemen
van strafvorderlijke beslissingen.
TWEEDE BOEK | Strafvordering in eersten aanleg
TITEL I. Het opsporingsonderzoek
Artikel 141 | Ambtenaren met algemene opsporingsbevoegdheid
Met de opsporing van strafbare feiten zijn belast:
a. de district attorney;
b. de ambtenaren van politie.
Artikel 148 | Taak DA bij opsporing
1. De district attorney is belast met de opsporing van de strafbare
feiten waarvan de rechtbank Paleto Bay, kennisneemt.
2. Hij geeft daartoe bevelen aan de overige personen met de opsporing belast.
3. Zoo de opsporing door hem persoonlijk geschiedt, doet hij van zijne
bevinding blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed; daarbij
moeten tevens zooveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen
van wetenschap.
Artikel 149 | Opsporingsonderzoek
Wanneer de district attorney kennis heeft gekregen van een strafbaar
feit met welks vervolging hij is belast, stelt hij het noodige
opsporingsonderzoek in.
Artikel 149a | Samenstelling processtukken
1. De district attorney is tijdens het opsporingsonderzoek
verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.
2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter
terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs
van belang kunnen zijn.
Artikel 152 | Opmaken proces-verbaal
De ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, maken ten
spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit
of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.
Artikel 153 | Op ambtseed & Ondertekening
1. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed.
2. Het wordt door hen persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend;
daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven
de redenen van wetenschap.
Artikel 161 | Bevoegdheid tot aangifte
Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan
aangifte of klachte te doen.
Artikel 163 | Wijze van aangifte
De aangifte van eenig strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk
bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den aangever in persoon, hetzij
door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke
volmacht voorzien.
Artikel 164 | Klachtdelicten
Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte
mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot
de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem
van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in
eene aangifte met verzoek tot vervolging.
Artikel 167 | Opportuniteitsbeginsel
1. Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek de politie
van oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen
van een strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig
mogelijk over.
2. Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang
ontleend. De politie kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden,
de beslissing of vervolging plaats moet hebben voor een daarbij te bepalen
termijn uitstellen.
Artikel 173 | Verklaringsvrijheid
Geene vragen worden gedaan welke de strekking hebben verklaringen te
verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
TITEL V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
Artikel 258 | Dagvaarding
1. De zaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door eene dagvaarding
vanwege den district attorney aan den verdachte beteekend; het
rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang.
2. De voorzitter der rechtbank bepaalt, op het verzoek en de voordracht van
den district attorney, den dag der terechtzitting. Hij kan, bij het
bepalen van de dag der terechtzitting of nadien, bevelen dat de verdachte
in persoon zal verschijnen; hij kan daartoe tevens zijn medebrenging
gelasten. De voorzitter kan ook de medebrenging gelasten van de getuige
van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat hij niet
voornemens is gevolg te geven aan een oproep om ter terechtzitting te
verschijnen. Voorts kan de voorzitter van de rechtbank de district attorney
bevelen, nader omschreven onderzoek te verrichten of doen
verrichten, alsmede gegevensdragers en stukken bij de processtukken te
voegen dan wel stukken van overtuiging over te leggen.
3. De personen, bedoeld in artikel 51e, tweede lid, kunnen de voorzitter
verzoeken of het hen toegekende spreekrecht mag worden uitgeoefend door
hun raadsman of een daartoe bijzondere gemachtigde. Indien meer dan drie
nabestaanden hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrecht gebruik willen
maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden over wie van hen het
woord zal voeren, beslist de voorzitter welke drie personen van het
spreekrecht gebruik kunnen maken.
Artikel 261 | Tenlastelegging
1. De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd,
met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn;
verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is
strafbaar gesteld.
2. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit
zou zijn begaan.
Artikel 266 | Intrekking dagvaarding
1. Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen,
kan de district attorney de dagvaarding intrekken. Hij doet
daarvan schriftelijk mededeling aan de verdachte en aan de benadeelde partij.
2. Wordt bij of na de intrekking der dagvaarding van verdere vervolging
afgezien, dan doet de district attorney den verdachte onverwijld
kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop de dagvaarding
betrekking had, niet verder zal vervolgen.
TITEL VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank
Artikel 268 | Behandeling door meervoudige kamer
1. Strafzaken worden behandeld en beslist door een meervoudige kamer, behoudens
in de wet genoemde uitzonderingen.
2. Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel der rechtbank niemand
plaats.
Artikel 269 | Zitting openbaar of behandeling met gesloten deuren
1. Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in het openbaar. Vanaf het
uitroepen van de zaak kan de rechtbank gehele of gedeeltelijke
behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven
in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van
de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere
procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een
dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar
het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging
ernstig zou schaden.
2. Tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting kan de voorzitter
bijzondere toegang verlenen.
Artikel 270 | Uitroepen zaak
De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen
de verdachte.
Artikel 271 | Verklaring in vrijheid afgelegd & Praesumptio innocentiae
1. De voorzitter draagt zorg dat geen vragen worden gesteld, welke de strekking
hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in
vrijheid zijn afgelegd.
2. Noch de voorzitter, noch een der rechters geeft op de terechtzitting blijk
van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.
Artikel 272 | Leiding onderzoek
1. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en
geeft daartoe de nodige bevelen.
2. De voorzitter kan op grond van klemmende redenen, ambtshalve of op vordering
van de district attorney of op verzoek van de verdachte, bevelen dat een
vraag, die de verdachte of diens raadsman of de district attorney wenst
te stellen, door zijn tussenkomst wordt gesteld.
3. De voorzitter kan een door hem aangewezen lid van de meervoudige kamer in
zijn plaats belasten met de leiding van het onderzoek. Dit lid oefent de
taken en bevoegdheden uit die aan de voorzitter zijn toegekend.
Artikel 273 | Aanvang onderzoek
1. De voorzitter begint het onderzoek tegen de verdachte door de identiteit
van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a,
eerste lid, eerste volzin. De voorzitter is tevens bevoegd de identiteit
van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a,
tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.
2. De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal
horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
3. Indien de verdachte de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos
door de voorzitter is gewaarschuwd, kan de voorzitter zijn verwijdering
uit de zittingzaal bevelen en, zo nodig, bepalen dat hij gedurende het
geheel of een gedeelte van de zitting in verzekering wordt gesteld. De
behandeling van de zaak wordt op tegenspraak voortgezet.
Artikel 277 | Onafgebroken onderzoek
1. Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet.
2. Onderbrekingen van het onderzoek kunnen echter wegens de uitgebreidheid
of de duur daarvan of voor het nemen van rust door de rechtbank worden
bevolen.
Artikel 281 | Schorsing voor (on)bepaalde tijd
1. Indien het belang van het onderzoek dit vordert, beveelt de rechtbank de
schorsing van het onderzoek voor bepaalde of onbepaalde tijd.
2. De schorsing voor bepaalde tijd kan zo nodig telkens tot een nader te
bepalen tijdstip worden verlengd.
Artikel 284 | Voordragen zaak
De district attorney draagt de zaak voor.
Artikel 286 | Ondervraging verdachte
1. De voorzitter ondervraagt de verdachte.
2. Is er meer dan één verdachte, dan bepaalt de voorzitter in welke volgorde de
verdachten worden ondervraagd.
3. De voorzitter kan bepalen dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een
of meer medeverdachten of getuigen zal worden ondervraagd.
4. Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen aan de verdachte door de
voorzitter, de rechters, de district attorney, de raadsman en de
medeverdachte vragen worden gesteld.
5. Bij het verhoor van de verdachte wordt zo veel mogelijk onderzocht, of zijn
verklaring op eigen wetenschap berust.
Artikel 301 | Voorlezing van stukken
1. Processen-verbaal of andere stukken worden op last van de voorzitter,
wanneer een van de rechters of de district attorney dit verlangt,
voorgelezen.
2. Voorlezing heeft ook plaats op verzoek van de verdachte, tenzij de rechtbank
ambtshalve of op vordering van de district attorney anders beveelt.
3. De voorlezing van de stukken kan, tenzij de district attorney of de
verdachte zich daar op redelijke gronden tegen verzet, worden vervangen door
een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.
4. De voorlezing van de stukken kan, tenzij de district attorney of de
verdachte zich daar op redelijke gronden tegen verzet, worden vervangen door
een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.
Artikel 302 | Vragen aan spreekgerechtigde
De voorzitter en de rechters kunnen de spreekgerechtigde vragen over zijn
verklaring stellen. Nadere vragen van de district attorney en de
verdachte worden door tussenkomst van de voorzitter gesteld.
Artikel 311 | Requisitoir
1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, de aanwezige
getuigen en deskundigen zijn gehoord en het spreekrecht is uitgeoefend,
kan de district attorney het woord voeren; hij legt zijn vordering
na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf
en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in
dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan.
2. De verdachte kan hierop antwoorden.
3. De district attorney kan daarna andermaal het woord voeren.
4. Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om
het laatst te spreken.
Artikel 338 | Onmiddellijkheidsbeginsel
Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door
den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek
op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de
overtuiging heeft bekomen.
Artikel 339 | Bewijsmiddelen
1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:
1° eigen waarneming van den rechter;
2° verklaringen van den verdachte;
3° verklaringen van een getuige;
4° verklaringen van een deskundige;
5° schriftelijke bescheiden.
2. Feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid behoeven geen bewijs.
Artikel 340 | Eigen waarneming rechter
Onder eigen waarneming van den rechter wordt verstaan die welke bij het
onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.
Artikel 341 | Verklaring verdachte
1. Onder verklaring van den verdachte wordt verstaan zijne bij het onderzoek op
de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen
wetenschap bekend.
2. Zoodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs,
dat de verdachte het telastegelegde feit begaan heeft, medewerken, indien
daarvan uit eenig wettig bewijsmiddel blijkt.
3. Zijne opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.
4. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door
den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van den
verdachte.
Artikel 344 | Schriftelijk bescheiden
1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:
1° beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen
met rechtspraak belast, alsmede in de wettelijke vorm opgemaakte
strafbeschikkingen;
2° processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm
opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en
behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf
waargenomen of ondervonden;
3° geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende
onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst;
4° verslagen van deskundigen met het antwoord op de opdracht die aan hen is
verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek,
gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat
aan hun oordeel onderworpen is.
5° alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met
den inhoud van andere bewijsmiddelen.
2. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door
den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een
opsporingsambtenaar.
Artikel 345 | Sluiting onderzoek en tijdstip uitspraak
1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard
en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter
mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal
plaats vinden.
2. Te bepaalden tijde kan de uitspraak mondeling tot een naderen dag worden
uitgesteld. De uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt
in tegenwoordigheid van den verdachte.
3. In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden
dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het
uitspreken van een verkort vonnis.
4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de
bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.
Artikel 351 | Oplegging van straf of maatregel
Acht de rechtbank het telastegelegde feit bewezen, het te zijn een strafbaar
feit en den verdachte deswege strafbaar, dan legt zij op de straf of den
maatregel, op het feit gesteld.
Artikel 352 | Vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging
1. Acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte het hem telastegelegde
feit heeft begaan, dan spreekt zij hem vrij.
2. Acht de rechtbank het feit bewezen, doch dit niet te zijn een strafbaar
feit of den verdachte deswege niet strafbaar, dan ontslaat zij hem van
alle rechtsvervolging te dier zake. In het geval, bedoeld in artikel 39
van het Wetboek van Strafrecht, kan zij tevens een maatregel opleggen
als voorzien in artikel 37a, 37b of 77s van het Wetboek van Strafrecht,
indien de wettelijke voorwaarden daarvoor zijn vervuld.
Artikel 359a | Meeweging verzuim
1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen
zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen
hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal
worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs
deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen,
niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim
geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de
beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het
belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en
het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Artikel 362 | Uitspraak van vonnis
1. Het vonnis wordt uitgesproken in een openbare zitting der rechtbank.
De district attorney en de verdachte zijn hierbij aanwezig.
2. De uitspraak geschiedt zo mogelijk door de voorzitter of door een
der rechters die over de zaak heeft geoordeeld.
DERDE BOEK | Rechtsmiddelen
TITEL II. Hooger beroep van uitspraken
Artikel 404 | Hoger beroep
Het is niet mogelijk om tegen de door de rechtbank genomen
beslissing in hoger beroep te gaan.