Ga naar inhoud

Wegenverkeerswet 1994

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 | Begripsbepaling
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, 
   verstaan onder:
   a. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met 
      inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen 
      behorende paden en bermen of zijkanten;
   b. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven 
      te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, 
      op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie 
      met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met 
      trapondersteuning;   
   c. kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 36;   
   d. rijbewijs: rijbewijs, bedoeld in artikel 107;
   e. het CBR: het in artikel 4z bedoelde bureau;
   f. houder van een motorrijtuig: degene die het voertuig:
      1° op grond van een overeenkomst van huurkoop onder zich heeft,
      2° in vruchtgebruik heeft, of
      3° anderszins, anders dan als eigenaar of bezitter, tot duurzaam gebruik 
         onder zich heeft.
2. Indien de eigenaar van een motorrijtuig niet tevens bezitter is, treedt de 
   bezitter voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor 
   de eigenaar in de plaats. 
3. Degene aan wie een kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig wordt, 
   tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens 
   deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die 
   aanhangwagen.          
Artikel 2 | Rijkwijdte
De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
   a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
   b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
   c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid 
      daarvan;
   d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

HOOFDSTUK II. Verkeersgedrag

Artikel 5 | Gevaar/hinder
1. Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg 
   wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg 
   wordt gehinderd of kan worden gehinderd.
2. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 5a | Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te 
   gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, 
   indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel 
   voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen 
   de volgende gedragingen worden aangemerkt:
   a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
   b. gevaarlijk inhalen;
   c. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
   d. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
   e. niet verlenen van voorrang;
   f. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
   g. zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
   h. door rood licht rijden;
   i. tegen de verkeersrichting inrijden;
   j. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;
   k. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze 
      wet bevoegde personen;
   l. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die 
      onder a tot en met k genoemd.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de 
   mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, 
   eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid.   
3. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 6 | Veroorzaken verkeersongeval
1. Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te 
   gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt 
   waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk 
   letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit 
   tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale 
   bezigheden ontstaat.
2. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 7 | Verlaten plaats ongeval
1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens 
   gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van 
   het ongeval te verlaten indien:
   a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een 
      ander is gedood dan wel letsel aan een ander is toegebracht;
   b. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, schade 
      aan een ander is toegebracht;
   c. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan 
      wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt 
      achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is niet van toepassing op 
   degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft 
   geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een 
   motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.   
3. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 8 | Besturen onder invloed
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen 
   besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, 
   waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - 
   al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - 
   de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk 
   besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen 
   besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
   a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn 
      dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
   b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn 
      dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.
3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig 
   voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat 
   motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig 
   gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
   a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn 
      dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
   b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn 
      dan 0,2 milligram per milliliter bloed, 
4. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen 
   besturen na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van 
   bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het 
   gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval 
   van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene 
   maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn 
   bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek 
   hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de 
   bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in 
   combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen 
   of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze 
   algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen 
   stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te 
   stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare 
   hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het 
   bloed aanwezig kan zijn.
5. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste, tweede, derde of vierde lid.              
Artikel 10 | Wedstrijdverbod
1. Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan 
   deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden 
   met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij van de 
   deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij 
   van bedrijfsstoffen.
3. Als deelnemer wordt beschouwd de bestuurder van een voertuig waarmee aan een 
   wedstrijd wordt deelgenomen, en de eigenaar of houder van een voertuig, die 
   daarmee aan een wedstrijd doet of laat deelnemen.
4. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 11 | Joyriding
1. Het is verboden opzettelijk wederrechtelijk een aan een ander toebehorend 
   motorrijtuig op de weg te gebruiken.
2. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.      
Artikel 14 | Nadere regelgeving
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent:
a. het toepassen van verkeerstekens en onderborden;
b. het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de 
   inrichting van de weg, en
c. het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het 
   verkeer. 

HOOFDSTUK IV. Kentekens

Artikel 36 | Kentekenplicht
Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig op de weg dient 
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde 
regels door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig 
te zijn opgegeven. 

HOOFDSTUK VI. Rijvaardigheid en rijbevoegdheid

Artikel 107 | Rijbewijs
1. Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe 
   bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen 
   van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.     
2. Het rijbewijs dient:
   a. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake 
      inrichting, uitvoering en invulling,
   b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, en
   c. behoorlijk leesbaar te zijn.

HOOFDSTUK IX. Toezicht en opsporing

Artikel 159 | Opsporingsbevoegdheid
Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, 
zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde 
   personen.
Artikel 165 | Bekendmaking naam bestuurder
1. Indien een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit wordt begaan 
   door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van 
   een motorrijtuig, is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig verplicht 
   op vordering van een opsporingsambternaar de naam van de bestuurder 
   bekend te maken.      
2. Het eerste lid geldt niet, indien de eigenaar of houder niet heeft kunnen 
   vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt 
   kan worden gemaakt.
3. Met [STRAFMAAT] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het 
   eerste lid.