Wet wapens en munitie

§ 1 | Algemene bepalingen

Artikel 1 | Begripsbepaling
In deze wet wordt verstaan onder:
1° vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie;
2° munitie: patronen en andere voorwerpen, bestemd of geschikt om een projectiel of een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof door middel van een vuurwapen af te schieten of te verspreiden, alsmede projectielen, bestemd om afgeschoten te worden door middel van een vuurwapen;
3° binnenkomen en uitgaan: het binnen het grondgebied van de stad komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van de stad;
4° doorvoer: binnenkomen gevolgd door uitgaan;
5° vervoer van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen dat zodanig is verpakt, dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend; vervoer van munitie: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van munitie;
6° dragen van een wapen: het op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen bij zich hebben van een wapen anders dan voor vervoer in de onder 6° bedoelde zin;
7° overdragen: het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht.
Artikel 2 | Categorieën wapens & munitie
1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

      Categorie I
         1° mes (uitzondering op jachtmessen);
         2° dolk;
         3° stiletto;
         4° boksbeugel;
         5° machete;
         6° geluiddemper voor vuurwapens.

      Categorie II
         1° vuurwapens die niet onder een van de andere categorieën vallen;
         2° vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren;
         3° voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen;
         4° voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing.

      Categorie III
         1° voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, met uitzondering van medische hulpmiddelen;
         2° .38 Revolver;
         3° .38 NubNose Revolver;
         4° .38 NubNose Revolver 2;
         5° .44 Magnum.

      Categorie IV
         1° Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.

2. Munitie in de zin van deze wet is, onderverdeeld in de volgende categorieën:

      Categorie I
      (Vervallen)

      Categorie II
         1° munitie die een giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende of soortgelijke stof verspreidt;
         2° munitie voorzien van een projectiel waarmee een pantserplaat kan worden doorboord, munitie voorzien van een projectiel met brandsas of met een explosieve lading, alsmede de voor deze munitie bestemde projectielen;
         3° 12 Gauge;
         4° 12 Gauge Non Lethal.

      Categorie III
         1° .38 LC;
         2° .44 Magnum;
         3° .45 ACP;
         4° 9mm.
Artikel 3 | Onderdelen en hulpstukken
1. De bepalingen betreffende wapens zijn mede van toepassing op hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens, de essentiële onderdelen van vuurwapens en op de onderdelen van wapens die van wezenlijke aard zijn.
2. De bepalingen betreffende munitie zijn mede van toepassing op onderdelen van die munitie, voorzover geschikt om munitie van te maken.
Artikel 6 | Beperkingen/voorschriften
De in deze wet genoemde vergunningen kunnen onder beperking worden verleend. Voorts kunnen er voorschriften aan worden verbonden.
Artikel 7 | Weigering
1. De in deze wet genoemde vergunningen worden geweigerd indien:
   a. de aanvrager niet de noodzakelijke gegevens heeft overlegd;
   b. de aanvrager vier maanden voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf;
   c. er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;
   d. er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.
2. De in deze wet genoemde vergunningen worden gewijzigd of ingetrokken:
   a. indien onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot de de verlening daarvan;
   b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich
      hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
   c. in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie;
   d. indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor de verlening
      daarvan;
   e. bij niet inachtneming van een daaraan verbonden beperking of
      voorschrift.
3. De in het tweede lid bedoelde vergunningen worden ingetrokken indien
   sinds de verlening ervan de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens
   het plegen van een misdrijf.

§ 3 | Bepalingen voor wapens van categorie I

Artikel 13 | Categorie I
1. Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van een wapenvergunning, tenzij de houder handelt in strijd met
   de beperkingen dan wel voorschriften die op grond van artikel 6
   zijn vastgesteld.
3. Met [SANCTIENORM] wordt gestraft hij die handelt in strijd met het eerste lid.

§ 5 | Vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III

Artikel 22 | Vervoer categorie II en III
1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III te vervoeren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van een wapenvergunning, tenzij de houder handelt in strijd met
   de beperkingen dan wel voorschriften die op grond van artikel 6
   zijn vastgesteld.
3. Hij die handelt in strijd met het eerste lid wordt gestraft met:
    - Categorie II wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie II munitie, [SANCTIENORM]
    - Categorie III wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie III munitie, [SANCTIENORM]

§ 6 | Voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie van de categorieën II, III en IV

Artikel 26 | Voorhanden hebben categorie II en III
1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van een wapenvergunning, tenzij de houder handelt in strijd met
   de beperkingen dan wel voorschriften die op grond van artikel 6
   zijn vastgesteld.
3. Hij die handelt in strijd met het eerste lid wordt gestraft met:
    - Categorie II wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie II munitie, [SANCTIENORM]
    - Categorie III wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie III munitie, [SANCTIENORM]
Artikel 27 | Dragen categorie II, III en IV
1. Het is verboden een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen.
2. Het is verboden munitie van de categorieën II en III te dragen.
3. Het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van een wapenvergunning, tenzij de houder handelt in strijd met de beperkingen dan wel voorschriften die op grond van artikel 6 zijn vastgesteld.
4. Hij die handelt in strijd met het eerste of tweede lid wordt gestraft met:
    - Categorie II wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie II munitie, [SANCTIENORM]
    - Categorie III wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie III munitie, [SANCTIENORM]
    - Categorie IV wapen, [SANCTIENORM]

§ 7 | Overdracht en verkrijging van wapens en munitie van de categorieën II, III en IV

Artikel 31 | Overdragen categorie II en III
1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III over te dragen.
2. Hij die handelt in strijd met het eerste lid wordt gestraft met:
    - Categorie II wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie II munitie, [SANCTIENORM]
    - Categorie III wapen, [SANCTIENORM]
    - Categorie III munitie, [SANCTIENORM]

§ 11A | Opsporing

Artikel 49 | Doorzoeking
De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen.
Artikel 50 | Openen verpakking
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
   a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
   b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
   c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat.
Artikel 51 | Onderzoek vervoermiddelen
1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
   a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
   b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
   c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat.
3. De opsporingsambtenaren kunnen van de bestuurders van voertuigen en van de schippers van vaartuigen daartoe vorderen dat deze de vervoermiddelen tot stilstand brengen, deze vervoermiddelen naar een door hen aangewezen plaats overbrengen en overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen.
Artikel 52 | Inbeslagneming & Onderzoek kleding
1. De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
2. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:
   a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;
   b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;
   c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.